Sneeuwleed in plaats van sneeuwpret door Rob Lengkeek.
Een terugblik op schaden door sneeuwval in het weekend van 25-26 november 2005.
Mede door intensieve betrokkenheid op toedracht- en schadevaststelling van dreigende of feitelijke dakinstortingen door sneeuwbelasting eind november 2005, stelde de auteur een presentatie samen van zijn indrukken. Enkele versies hiervan werden gedurende dit jaar toegelicht op bijeenkomsten voor medevakgenoten uit de assurantiebranche. Het onderstaande artikel vormt een neerslag van zijn bevindingen waarbij de auteur ook refereert aan het VROM-onderzoek naar de gebeurtenissen die tot schaden hebben geleid.
Chaos
Op vrijdag 25 november 2005 beleefden veel automobilisten op de A-1 en A-50 een dag om nooit te vergeten. Rondom Apeldoorn en in Twente kwamen tegen het begin van de middag automobilisten muurvast te zitten, een toestand die tot na middernacht ontwrichtend voortduurde. Boosdoener : langdurige sneeuwval van uitzonderlijke aard. De winter deed die dag zijn intrede in Nederland, vergezeld van een actieve depressie.
Voor het KNMI was dit aanleiding om voor die dag een weeralarm af te geven. De depressie ging voor een deel van Nederland gepaard met langdurige sneeuwval en harde wind. Vooral in het Zuiden en Oosten van Nederland hield de neerslag, meest in de vorm van sneeuw, vele uren aan waarbij zich gestaag sneeuw ophoopte.
Vanwege de klimatologische omstandigheden bij deze depressie, te weten relatief hoge luchtvochtigheid, windvlagen en weinig vrieskou, kreeg sneeuw op veel plaatsen een papperig karakter met als bijkomende verschijnselen inklinking en ijsvorming.
De soortelijke massa per kilogram sneeuw nam daardoor aanmerkelijk toe.
In de loop van de middag begonnen daken van zowel bedrijfsgebouwen als veestallen maar ook van andere typen gebouwen, bijvoorbeeld die met een publieke functie te kraken en door te buigen. Soms konden in allerijl stut- en stempelmaatregelen getroffen worden, maar voor ca. 70 gebouwen kwam deze hulp te laat: volledige of gedeeltelijke instortingen waren een feit op 25 en 26 november 2005.
Schadeomvang
De alarmerende omvang van gehele of gedeeltelijke instortingen, partiële schaden, ernstige doorbuigingen en preventieve ontruimingen, vormde voor de VROM-inspectie Regio Oost, aanleiding om een nader onderzoek in te stellen naar onder meer de omvang van de bouwkundige calamiteiten. De door VROM gehouden inventarisatie leverde het volgende schadebeeld op:
* Volledige instorting : 43
* Gedeeltelijke instorting : 24
* Ernstige doorbuiging : 26
* Overige bouwkundige schades: ca. 1000
(Bron: Vrom-inspectie, regio Oost)
Naast schade aan gebouwen en inhoud hiervan, ontstond aanzienlijke schade aan bomen en struiken die enkele gemeenten en grote instellingen noodzaakte om in het kader van zorgplicht honderdduizenden euro’s te besteden aan opruimwerk van afgebroken takken e.d.
De immateriële schade door bedrijfsstagnatie bij beschadigde gebouwen, maar ook wegens stagnatie door preventieve ontruimingen was eveneens aanzienlijk.
Sneeuwkarakter
Wat opvalt bij analyse van de bouwkundige schaden zijn de grote verschillen tussen zowel de type gebouwen als ook tussen de dakconstructies van getroffen objecten.
Zowel agrarische objecten, van veestal en kassencomplexen tot manege, als opslag- en productiegebouwen en gebouwen met een publieksfunctie maken deel uit van de reeks getroffen objecten. Niet alleen platte daken, maar in aantal zelfs meer daken met een helling sterker dan 30 graden bezweken. Dit lot troffen ook enkele gebogen daken, zoals Romneyloodsen en daken met shedkappen en lichtstraten.
De verklaring voor het bezwijken van daken met gebogen vormen hangt samen met het uitzonderlijke gewicht van de sneeuw. Normaliter wordt namelijk bij droge en vers gevallen sneeuw gerekend met een soortelijke massa van 100 kilogram per kubieke meter sneeuw. Bij de sneeuwsoort van dit weekend zijn echter waarden gemeten die varieerden van 200 tot 600 kilogram per kubieke meter sneeuw. De sneeuw is plaatselijk dus twee tot zes maal zo zwaar geweest als in normale situaties! Deze getallen zijn niet overdreven: ze zijn afkomstig van constructeurs woonachtig in de zwaarst getroffen gebieden die zelf met adequate meetapparatuur bovengenoemde waarden hebben geconstateerd en beschikbaar gesteld ten behoeve van het VROM onderzoek. Het is ook niet zozeer de sneeuwdikte geweest die verantwoordelijk bleek voor instorting, al waren hele gebieden bedekt met 15 tot 25 cm sneeuw en lokaal door ophoping een dubbele waarde hiervan. Het was het type sneeuw waar het om ging.
De uitzonderlijk zware sneeuwlast kon juist vanwege zijn relatief hoge soortelijke massa bij gebogen dakvormen eerder naar lagere niveaus glijden dan sneeuw van lichtere samenstelling. Eenmaal afgegleden werd een relatief grote zijwaartse kracht uitgeoefend op verticale constructies waardoor doorbuiging en bezwijking kon optreden. Op deze manier werden Romneyloodsen en gebogen rijwieloverkappingen volledig vernield.
De vraag ligt voor de hand waarom de sneeuw in dit Novemberweekend zo’n uitzonderlijk zwaar karakter had. Het KNMI heeft daar een duidelijk antwoord op gegeven.
“Op vrijdag 25 november ontstond uit een randstoring een diepe depressie, die uiterst langzaam over het noorden van ons land trok. Een ingedraaide occlusie van deze depressie lag urenlang boven het midden van het land en veroorzaakte overvloedige neerslag. In het westen viel regen, maar in het oosten viel meest natte sneeuw.” Die occlusie die maar niet van z’n plaats kwam is dus eigenlijk de boosdoener. Occlusie is een weerkundige term en staat voor een warmtefront dat door een koufront is ingehaald, meestal in de omgeving van een depressie. Bij een dergelijk “inhaal”proces wordt de warme lucht voor het koufront opgetild naar hogere luchtlagen. Doorgaans zit er vaart in een dergelijk systeem en kan een occlusie zich makkelijk 1000 kilometer per etmaal verplaatsen. Die vrijdag de 25e November bleef door het ingesloten karakter de occlusie op één plaats liggen: boven het midden van het land en dat hebben ze daar geweten.
De sneeuw had een temperatuur van om en nabij het vriespunt. Eigenlijk was het een vorm van smeltende sneeuw met relatief veel waterdruppels tussen de ijskristallen. De sneeuw smolt niet maar klonk op veel plaatsen in tot een soort “ijssneeuw”. Dit verklaart de soms extreem hoge soortgelijke massa.
Eigen bevindingen
Zoals bij veel calamiteiten het geval is, blijkt bij analyse vaak sprake van een ongunstige combinatie van factoren. Vaak is er dan één ongunstige eigenschap of gebeurtenis die als zwakste schakel wordt aangemerkt, maar het is in wezen de combinatie van factoren die bezien moet worden. Beoordeling in de juiste context heet zoiets.
Bij de sneeuwinstortingen hebben de navolgende ingrediënten een rol gespeeld, met uiteraard per schade ieder aspect in eigen dosering, afhankelijk van locatie, gebouwsamenstelling, ouderdom etc.,
* Bestaande vervuiling op daken, waardoor afvoercapaciteit ongunstiger werd;
* Reeds aanwezige neerslag op daken, voordat het begon te sneeuwen. Deze neerslag, afkomstig van de dagen voorafgaand aan het sneeuwevenement kan bij sommige schaden een rol hebben meegespeeld door bijdrage aan gewichtsvermeerdering en aan ongunstige gewichtsverdeling. Hierbij moet bedacht worden dat bij zeer lichte nachtvorst op geïsoleerde daken al ijsvorming bij dunne waterplassen ontstaat; dit kan bijdragen aan de blokkades bij afvoeren;
* Het type sneeuw met zeer hoge soortelijke massa heeft er voor gezorgd dat hemelwaterafvoeren vol ijsbrokken kwamen te zitten. Soms volgden totale blokkades. Zodra er dan een smeltproces opgang komt, kan het smeltwater niet weg;
* Bestaand afschot van platte daken werd door de relatief zware sneeuwdruk volledig genivelleerd of nog erger;….
* De depressie op vrijdag 25 november ging gepaard met windvlagen. In Twente en in de Achterhoek zijn vlagen gemeten in de orde van grootte van ca. 17 meter per seconde. Deze vlagen hebben kunnen bijdragen aan stuwing en sneeuwopeenhoping op bepaalde velden van daken, bijvoorbeeld bij obstakels zoals ventilatiekappen e.d.. Dit leidt tot plaatselijke ongewenste puntbelasting;
* Ouderdomsverschijnselen; eigenlijk is dit een eye-opener. De lijm bij gelamineerde houten spanten blijkt sneller te verouderen dan gedacht en boet aan sterkte in. Zeker een punt van toekomstige aandacht waard;
* Corrosieverschijnselen; deze traden vooral op bij gebouwen met agrarische functie. Denk hierbij aan de ammoniak- en condensinvloed en:
* Constructiefouten. Ik noem een paar veelzeggende constateringen zonder uitputtend te zijn. Missers in gecontroleerde oorspronkelijke berekeningen; fouten in de ontwerpfase; niet het maatgevende spant werd berekend, maar een willekeurig spant; fouten in de uitvoering. Denk bijvoorbeeld aan niet goed uitgevoerde lasnaden. Geheid dat een staalconstructie het dan begeeft bij overschrijding van maximaal toelaatbare belasting; constructies zijn vaak al “uitgeknepen” in de marges waardoor er slechts een minimaal incasseringsvermogen is.
Polisuitsluiting en discussie
Polissen met dekking voor schade door sneeuwdruk hebben in het algemeen een expliciete uitsluiting voor constructiefouten of slecht onderhoud. Over die laatste uitsluiting heb ik amper discussie gehoord. Over de eerste des te meer en bleef het maar bij discussie. Er zijn afwijzingen geformuleerd die wel of niet betwist worden.
Het is hier niet de plaats uitvoerig in te gaan op het fenomeen van geconstateerde constructiefouten. Dat deze bij een aantal instortingen een prominente rol speelden moge duidelijk zijn. Wat de discussie mijn inziens interessant maakt zijn alle ingrediënten er rond omheen. Was de aanwezigheid van constructiefouten de hoofdfactor voor bezwijken of is het een mix van factoren geweest? Opvallend is bijvoorbeeld een denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs een aantal bezweken of dankzij tijdige stut- en stempelwerken nog juist niet bezweken gebouwen op twee industrieterreinen te Hengelo en Enschede. Waarom juist dit schadebeeld op een lijn die parallel loopt aan het Twente Kanaal terwijl er op beide industrieterreinen legio gebouwen staan waar het goed afliep? Er zijn meer intrigerende aspecten. Tijdens een deskundigenbijeenkomst in het kader van het VROM-onderzoek werd aandacht gevraagd voor het fenomeen dat een gebouw veilig kan zijn voor afzonderlijk sneeuwbelasting en wateraccumulatie bij de huidige Nen 6702 norm, maar dat hetzelfde dak onveilig wordt ten gevolge van smeltwateraccumulatie doordat een deel van sneeuw overgaat in smeltwater. Nu deden de instortingen zich op vrijdag 25 en zaterdag 26 november voor, terwijl het dooiproces vooral op een zonnige zondag 27 november inzette. Maar toch: wat doet waterige “ijssneeuw” met een hoge soortelijke massa onder lichte hellingshoeken?
Bij de discussie die gevoerd wordt omtrent de toerekening van constructiefouten is iedereen gebaat bij correcte fact-finding. Maar monsters van de sneeuw, pas na het weekend genomen, gaven al een vertekend beeld door een ingezet smeltproces op zaterdagmiddag en zondag.
Overige aandachtspunten
Polissen geven doorgaans geen definitie van het begrip constructiefout. Misschien logisch want te veel vastleggen kan als knellend worden ervaren. Toch kan er behoefte bestaan om het begrip helder te krijgen. Al was het maar voor verzekerden met schade die snel polisduidelijkheid wensen. In het algemeen is op te merken dat het bij constructiefouten gaat om fouten in een constructie waardoor die constructie niet aan de door een opdrachtgever gewenste en in een Programma van Eisen en/of Bestek vastgelegde prestaties ten aanzien van veiligheid voldoet. Die prestaties moeten tenminste voldoen aan de op grond van het moment van aanvraag om bouwvergunning van toepassing zijnde regelgeving. Daarnaast gelden als absolute ondergrens de eisen voor bestaande bouw zoals geformuleerd in het Bouwbesluit 2003. Dit is ook het niveau waaraan gerefereerd moet worden bij gebouwen van vóór 1949.
Het kan in de markt als verwarrend worden ervaren dat polissen voor brandrisico’s spreken van constructiefouten, terwijl bij menig CAR-polis de woorden ontwerpfouten, uitvoeringsfouten en constructiefouten apart vermeld worden.
Een volgende punt van aandacht vraagt het spanningsveld dat bij grote schaden kan optreden tussen de verschillende belangen die vertegenwoordigd worden. Het probleem waar ik op doel doet zich vooral voor als de gebouwenpolis andere ondertekenaars kent dan die voor de inhoud- en bedrijfsschadenbelangen. Een opstalverzekeraar zal bij een grote dakinstorting alle belang hebben bij zorgvuldig onderzoek naar toedracht en oorzaak. Al was het maar om vrijmoedig een standpunt over de uitsluiting ten aanzien van constructiefouten in te kunnen nemen. Dit vergt doorgaans zorgvuldig onderzoek met inschakeling van constructeurs. Ingestorte gebouwen moeten daarbij een tijdlang, denk aan een periode van al gauw twee weken onberoerd gelaten worden. Voor inhoud- en bedrijfs-schadeverzekeraars kan deze tijd veel te lang zijn. Immers, vaak kostbare inhoud moet zo snel als mogelijk bered worden en mag niet in vochtige omstandigheden verpieteren.
Tenslotte komt er nog een belang om de hoek kijken. Het toekomstige belang van ondertekenaars op polissen van gebouwen, inhoud en bedrijfsschadenbelangen bij die gebouwen die door de zware sneeuwlast in het novemberweekend in 2005 niet zijn ingestort, maar waarbij de daken wel extreem onder doorbuiging te lijden hebben gehad.
Is na terugvering en verwijdering van stempelwerk de oude sterkte volledig hersteld?
Loopt men extra risico bij nieuwe toekomstige belasting door sneeuw of storm? Vragen die mijn inziens geen discussie zouden mogen opleveren tegen de tijd dat er bij een toekomstig vergelijkbaar evenement op die polissen een beroep moet worden gedaan.
Ik heb er overigens alle vertrouwen in dat men, zeker in de –provinciale- markt al volop bezig is in te spelen op verbetering van formuleringen die met sneeuwdruk en regenwaterdekkingen te maken hebben.
Tenslotte
Meestal eindigt een artikel met conclusies. Ik neem de vrijheid die grotendeels achterwege te laten want een aantal zaken die ik aanstip in dit artikel zijn nog niet uitputtend onderzocht. Toch is er een laatste frappante vergelijking die u niet onthouden mag worden. Op donderdag 2 maart 2006 was het weer raak met hevige sneeuwval. Nu in Zwolle en omgeving. Wederom verkeersinfarct met alle vertragingen van dien.
Wie op de via internet te downloaden weerkaartjes van het KNMI, het sneeuwdek van zaterdag 26 november 2005 vergelijkt met dat van donderdag 2 maart 2006, gemeten in de ochtend om 08.00 uur, ziet op beide kaartjes exact dezelfde kleuren licht- respectievelijk donkerblauw. Deze kleuren corresponderen met gemeten sneeuwdikten van 15-25 cm respectievelijk meer dan 25 cm.
Als geïnteresseerd schade-expert reed ik vrijdag 3 maart 2006 door de industriegebieden van Zwolle. U begrijpt het al: op zoek naar ingestorte daken. Geen een dus!. Zelfs geen partiële schade of te grote doorbuiging.
Ik sluit dus toch af met een conclusie: het ene type sneeuw is het andere niet!
(1) Bron: VROM-inspectie; Regio Oost, Bouwkundige schades t.g.v. sneeuwval, mei 2006